Voor wie gedenken

Tijdens een lieddag op 10 december 2016 in het klooster van Huissen mocht ik onderstaande toespraak houden over de verzamelde gezangen van Henk Jongerius, die ter gelegenheid van diens 75ste verjaardag verschenen onder de titel Voor wie gedenken.


Wat een eervol verzoek om vandaag iets te zeggen over de nieuwe bundel van Henk Jongerius. Maar het is ook een beetje riskante onderneming, want ik denk dat hier heel wat mensen zijn die zijn werk beter kennen dan ik. En daarnaast moet ik als collega-tekstschrijver natuurlijk het juiste midden proberen te vinden tussen arrogantie – de gedachte dat ik het zelf eigenlijk beter kan – en jaloezie over de omvang en de kwaliteit van deze bundel.

Ik probeer het met een karakterisering van het werk van Henk vanuit mijn eigen achtergrond. Geen theologie, maar communicatiewetenschap, retorica en neerlandistiek. En ik ben zo vrij om me in mijn verhaal vooral te richten op de 205 strofische liederen in het tweede deel van de nieuwe bundel. Dat zijn de teksten waar ik het duidelijkst de eigen stem van Henk Jongerius beluister. Een stem die duidelijk herkenbaar is voor wie een beetje thuis is in het Nederlandse katholieke kerklied van de laatste 50 jaar.

Poëto-prediker
Vorige week hield dominee Sytze de Vries in de Dom van Utrecht, de stad waar Henk en ik zijn opgegroeid, een lezing over Willem Barnard, de dichter-dominee die naast zijn “gewone” dichtwerk ook honderden kerkliederen schreef. De Vries noemde Barnard daar een poëto-theoloog. In zijn kerkliederen ontwikkelt Barnard een eigen theologie. Gedachtig de stelregel: Alle spreken over God kan alleen maar ‘dichterlijk’, poëtisch, verbeeldend zijn.
Ik denk dat Henk ver, misschien zelfs helemaal mee zou gaan met deze stelregel. Ik beluister het in het motto van de bundel:

Al wat ik kan
is zingen voor u
een lied niet groter
dan het hier en nu
al wat het leven
mij zeggen wil
zeg ik aan u

Henk Jongerius zou ik niet zozeer een poëto-theoloog noemen, maar eerder een poëto-prediker. Niet alleen omdat hij van de orde der predikheren is, al speelt dat zeker een rol, maar vooral vanwege het karakter van zijn liederen. Ik lees en zing ze niet als theologische beschouwingen, maar eerder als kleine preekjes, of liever nog: overwegingen – bijna altijd naar aanleiding van woorden uit de Bijbel.
Maar het zijn wel een heel speciaal soort preken, die liederen van Henk. Ze zijn niet didactisch, geven geen schriftuitleg in de gewone zin van het woord. Ze zijn ook niet moraliserend: ze vertellen ons niet met strenge stem wat we moeten doen of laten. Het zijn geen donderpreken, bedelpreken, kanselpreken, en zeker niet, zoals Wikipedia de preek om ook omschrijft: lange, saaie betogen voor een onwillig of minstens ongeïnteresseerd publiek.
De liederen-preken van Henk zou ik willen omschrijven als: overwegingen die een brug bouwen tussen wat je in de Schrift kunt beluisteren en wat je allemaal meemaakt in je leven aan ervaringen, gevoelens, vreugde, droefheid, uitzicht en wanhoop. Te midden van dat alles laat Henk Jongerius ons zingen: Hoor hoe God met mensen omgaat. Luister naar al die namen en verhalen uit de Schrift, en hoe hij uiteindelijk ook hier tot ons zal spreken.
De liederen van Henk zijn preken, maar dan evocatieve preken. Ze leggen de Bijbel niet uit, maar maken de Bijbelver-halen in je wakker, ze roepen je eigen ervaringen, gevoelens, gedachten op bij de Bijbel. Ze verbinden de Bijbel met wat er in ons leeft. En ze nodigen ons als lezers, en vooral als zangers uit om in onszelf te keren en onze eigen gevoelens te onderzoeken.

Woorden tellen
Een populaire methode van tekstonderzoek in de communi-catiewetenschap is woorden tellen. Ik heb dat – met dank aan de computer – toegepast op de 205 liederen van Henk Jongerius, en dat leert een paar aardige karakteriseringen van zijn teksten op.
Het meest voorkomende woord in die liederen is het woord Gij – met een hoofdletter. Het komt 308 keer voor. En op de tweede plaats staat het woord mens/mensen; dat komt precies één keer minder voor: 307 keer. Nummer drie is leven met 175 keer, op de voet gevolgd door het woord woord/woorden, met 168 keer. Flink wat minder, maar nog steeds rond de honderd keer vinden we de woorden God, licht, gaan en Naam.
Daar draait het dus om in de liederen van Henk Jongerius: Gij-God met de Naam aan de ene kant, en mensen die leven en gaan in licht aan de andere kant. En de brug daartussen is het woord. Niet het woord van de prediker, niet het woord van Henk Jongerius, maar het woord van de Schrift dat we mogen horen (55), en waarnaar we luisteren (22). Luisteren met verwondering. Luisteren tot bezinning. Henk zei me een paar weken geleden: mijn liederen zeggen zoiets als: moet je luisteren wat ik hoor, hoor jij dat ook? Meer dan te verkondigen probeert Henk zijn zangers deelgenoot te maken van zijn verwondering. Maar ook van zijn twijfel en geloof, zijn dankbaarheid en zijn verdriet.

Parallellisme
Een van de meest opvallende retorische stijlfiguren in de liederen van Henk is het parallellisme, vaak zelfs in de vorm van letterlijke herhaling van woorden en zinsdelen. Het is alsof je drie, vier, vijfmaal hetzelfde zingt, met deels dezelfde maar ook deels verschillende woorden. Veel liederen zijn variaties op een thema. Overigens is het een stijlfiguur met oude papieren, want hoe vaak komt ze niet voor in de psalmen? Toevallig schreven we dit jaar beiden een bijdrage in de jubileumbundel van de Groningse Pepergasthuiskerk, waarin we – onafhankelijk van elkaar – op deze stijlfiguur ingingen.
Henk noemt het een meditatieve manier van teksten schrijven, waarbij je dezelfde gedachte, regel of woordgroep steeds van een andere kant beschouwt en nader uitwerkt. Het is als een diamant die steeds vanuit een andere richting, vanuit een ander perspectief belicht wordt, waardoor je langzamerhand tot het wezen, de kern van dat woord of die regel doordringt. Het lied vertelt geen doorlopend verhaal, maar het verwoordt een reeks beelden, gedachten die cirkelen rond de kern.
Deze meditatieve manier van schrijven impliceert ook een zekere bescheidenheid. Geen van de belichtingen van de kern is dé belichting, de beste of de enig juiste. Geen beeld, geen gedachte dringt echt voor 100% tot de kern door. Sterker: de variatie maakt ruimte voor mijzelf als zanger om mijn eigen woorden toe te voegen aan het lied, om mijn eigen licht op de diamant te werpen.
En dat brengt mij mij bij nog een reden waarom parallellisme en herhaling zo indringend kunnen zijn. Hoe eenstemmig en eensgezind we als zingende gemeenschap ook zijn, we zijn ook allemaal verschillende mensen, met verschillende ervaringen, gevoelens en gevoeligheden. Bij liederen met een variatie aan beelden en invalshoeken mag je hopen dat iedereen wel ergens een couplet, een regel, een woord vindt dat iets doet trillen, dat iets oproept van de werkelijke diepte waar we naar op zoek zijn. Zingen in parallellismen is recht doen aan de verscheidenheid.

Kwatrijnen
Er is nog veel meer te zeggen over typische kenmerken van de liederen van Henk. Als neerlandicus valt me bijvoorbeeld zijn onmiskenbare voorkeur op voor kwatrijnen, coupletten van vier regels. In de 205 liederen zijn er maar liefst 160 waarvan de coupletten kwatrijnen zijn, en dat levert in totaal 668 kwatrijnen op, ene gemiddelde van 4,175. En bij 108 liederen gaat het zelfs om vier kwatrijnen: 4 x 4 regels.
Ik zou graag dieper ingaan op de kracht van het kwatrijn als versvorm, maar eerlijk gezegd: ik heb nog geen idee waarom juist deze versvorm zo geschikt is voor een liturgisch lied. Ik heb het Henk gevraagd, maar die gaf er ook geen helder antwoord op. Ja, zei hij, ik houd nu eenmaal van die Engelse melodieën en die hebben vaak coupletten van vier regels, dus daar zit ik dan aan vast. Ik dacht zelf dat misschien ook de structuur van de Gregoriaanse hymnen Henk geïnspireerd hebben.

Zingen
Ik begon mijn verhaal met het motto van de liedbundel: Al wat ik kan / is zingen voor u. Het gaat dus uiteindelijk om dat zingen. Er staat niet: al wat ik kan is dichten over u, of preken over u. Nee, het gaat om het zingen. En dan niet het zingen als solist of voorganger of cantor, hoezeer dat ook aan Henk toevertrouwd kan worden, maar het zingen van de gemeenschap.
Een melodie kan de tekst ondersteunen, bijvoorbeeld als die opstijgt naar een hoogtepunt en weer afdaalt naar de grond(toon), of als die de tekst vertraagt of versnelt. En had ik het straks niet over de parallellismen in de teksten van Henk Jongerius? Parallellisme is een typisch muzikaal verschijnsel: melodieën hangen vaak aan elkaar van herhalingen en variaties op een thema.
Zingen maakt ons er ook van bewust dat het om méér gaat dan wat er letterlijk in de tekst staat. Hoe mooi een liedtekst ook is, het gaat altijd om iets hogers of diepers, om wat eigenlijk onzegbaar is. Niet dat we dat hoge en diepere wèl bereiken als we de tekst zingen, maar we komen er wel dichterbij. Dank aan de componisten die onze teksten op die manier verrijken!
En ten slotte: de liederen van Henk Jongerius zijn niet voor solisten of een koor, ze zijn geen muzikale hoogstandjes, ze zijn niet om naar te luist-ren, maar zijn om samen te zingen. Als je ze zingt neem je elkaar mee naar het woord dat in de liederen wordt doorgegeven. Zingen maakt je van elkaar afhankelijk. Dat kun je heel letterlijk ervaren, vooral als je niet erg stemvast bent: als je alleen moest zingen zou het niet om aan te horen zijn, maar met anderen samen gaat het lukken, je ondersteunt elkaar en vult elkaar aan. Van elkaar afhankelijk zijn – is dat niet wezenlijk een gemeenschap vormen?

Dank

Dank voor het lied dat verder gaat dan woorden,
dank voor de stem die mij gegeven is,
dank voor de klank van noten en akkoorden,
dank voor de zang die mensenleven is.*

Dank, Henk Jongerius, voor de teksten die jouw componisten en ons en veel andere zangers inspireren en uitnodigen. Dank voor jouw woorden die Gij-God-met-de-Naam verbinden met ons mensen die leven en in licht mogen gaan.

 

*Lied van het lied – voor Henk Jongerius.
Tekst: Michaël Steehouder
muziek: Chris van Bruggen.