Wat ruist er…

In februari 2011 publiceerden mijn zoon Rogier en ik in Onze Taal (nummer 2/3) het resultaat van een speurtocht in het stuikgewas.


In de achtste One Man Show van Toon Hermans, die hij speelde in het seizoen 1979-1980, komt een hilarische act voor. De sympathieke onderwijzer Frits Verkade (“geen familie van de toneelspeler, en ook niet van de lange vingers”) doet auditie om bij de televisie te komen en geeft producer Jack Bemelmans een voorproefje van zijn kunnen. Er is maar ruimte voor één nummer, en hij begint: Wat ruist er door het struikgewas? / Het is een … En dan slaan de zenuwen toe: de brave man weet niet meer wat het was. En hoe vaak hij het ook opnieuw probeert, hij kan er maar niet op komen. Totdat de tijd om is en het publiek dubbel ligt van het lachen.
De kracht van Toons nummer ligt natuurlijk in het feit dat niemand ooit te weten komt wat er door het struikgewas ruiste. De entertainer Hans Liberg opperde in een van zijn muzikale conferences dat het om een klein slangetje zou gaan – maar dat is nagenoeg onopgemerkt gebleven en zijn theorie heeft geen weerklank gevonden. Voor de echte liefhebber zou het ook een teleurstelling zijn als er zich alleen een slangetje door het struikgewas bewoog: is dat nu alles?
Nee, om de ware oplossing te vinden moeten we naar het verre Egypte. In het boek Kara Ben Nemsi, de held uit de woestijn van Karl May (Utrecht, Het Spectrum, 1962) wordt op pagina 70 beschreven hoe de titelheld in aanraking komt met een vreemdeling die hij binnensmonds een Arabisch liedje hoort zingen. We laten Karl May even aan het woord:

Aangenaam verrast sprong ik overeind, want de woorden van de twee coupletten die hij zong, waren de Arabische vertaling van een bekend lied uit mijn vaderland.

Er ontspint zich een dialoog waarin de vreemdeling aanvankelijk volhoudt dat hij het liedje helemaal zelf bedacht heeft. Maar de hoofdpersoon houdt vol

Het lied is Was kraucht nur dort im Busch herum? Ich glaub’, es ist … ‘Grote goedheid, wat is dat!’ viel hij mij juichend in de rede toen ik die paar regels in mijn eigen taal had gesproken. ‘Bent u misschien een Duitser?’

We moeten dus in Duitsland zijn. We komen verder als we de Duitse versie van het boek (Durch Wüste und Harem) erbij pakken, die inmiddels op internet te vinden is. Het verhaal blijkt in de Nederlandse vertaling ingekort te zijn. In de originele versie worden twee coupletten in het Arabisch weergegeven, gevolgd door de Duitse vertaling:

Was kraucht nur dort im Busch herum?
Ich glaub’, es ist Napolium.
Was hat er nur zu krauchen dort?
Frisch auf, Kam’raden, jagt ihn fort!
Wer hat nur dort im off’nen Feld’
Die roten Hosen hingestellt?
Was haben sie zu stehen dort?
Frisch auf, Kam’raden, jagt sie fort!

Napoleon III (1808-1873)

Het blijkt te gaan om een werkelijk bestaand soldatenlied, waarvan de volledige tekst bestaat uit vier strofen. Het lied is ontstaan in de Frans-Duitse oorlog van 1870, en met ‘Napolium’ wordt keizer Napoleon III bedoeld, die in 1870 na de slag bij Sedan gevangengenomen is door de Pruisische kanselier Von Bismarck.
Volgens de overlevering is het lied geschreven door een Duitse soldaat die Kutschke heette, en het lied wordt dan ook vaak aangeduid als Kutschkelied. Maar het is waarschijnlijker dat Kutschke (‘koetsier’) gewoon staat voor ‘jan soldaat’, en dus niet echt de náám van een tekstdichter is.
Het lied is vanaf zijn ontstaan tot in het begin van de twintigste eeuw erg populair geweest. Het werd gezongen op de melodie van ‘Ich bin der Doktor Eisenbart’, een lied dat ook in Nederland bekend was en waarvan vele tekstvarianten bestaan, zij het geen ervan met het woord struikgewas.
De vertaler van het boek van Karl May moet hebben gedacht dat het Duitstalige liedje voor Nederlandse lezers niet zo interessant was. Vandaar dat hij alleen de eerste anderhalve regel van die tekst citeerde, zonder natuurlijk te weten dat hij daarmee de kiem zou leggen voor een mythe.
Heeft Toon Hermans ooit zelf geweten wat er in het struikgewas ruiste? Waarschijnlijk niet. Hermans’ biograaf Jacques Klöters, voor wie onze ontdekkingen nieuw waren, e-mailde ons hierover: In 1990 of daaromtrent vroeg ik inderdaad aan Toon of hij ooit weleens bedacht had wat er door het struikgewas ruiste. Hij vond het maar een rare vraag. Na enig aandringen zei hij: “Ja weet ik veel, zo’n klein wit dingetje, een kameleonnetje of zo.”
Misschien heeft Toon het boek van Karl May gelezen en is hij op een originele en hilarische manier met het onaffe liedje aan de haal gegaan. Hoewel we waarschijnlijk nooit meer met zekerheid zullen kunnen zeggen hoeveel Toon Hermans van deze hele geschiedenis wist, lijkt één ding overduidelijk: in het struikgewas ruiste geen wát maar een wíé: Napoleon.


Onze ontdekking baarde nogal wat opzien. Er werd aandacht aan besteed in het NOS-journaal en het BRT-journaal, en we werden uitgenodigd voor een optreden in het programma Spijkers met Koppen, waar we geïnterviewd werden door Dolf Jansen.